De "Wij" en "Gij" prater !

"Liefste, morgen gaan we eens een goede boswandeling doen!" zegt de man. "Ah! Wanneer heb je mij dat gevraagd?" antwoordt de vrouw.

Inderdaad voor je een "wij" uitspreekt moet je zeker zijn dat iedereen die betrokken is zich daarbij kan, zal, wil aansluiten !

"Jij gaat de kinderen naar school brengen, jij doet de afwas, jij bent mis, jij bent dit, jij doet dat !" Of met andere woorden dit zijn affirmatieve bevestigingen omtrent de andere.  Dit schept geen kansen tot wederwoord.

Praat liever uit jezelf of vraag het: "Ga jij de kinderen naar school doen?" "Doe jij de afwas"? "Ik vind dat jij zus of zo bent !" Zeker als je in een meningsverschil, overlegmoment of conflict zit. "Ik neem dat niet, ..." "Ik wil dat niet ..." Ik vind dat je dikwijls niet oplet ..."

Gebruiken jij en de andere partner de "ik" taal ? Of eerder ongepast de "wij" taal ? Of de "jij" taal, met als gevolg de moeilijkheden tot overleg ?